ВУЗ:
Составители:
Рубрика:
136
OPDRACHTEN (2)
1. Luister naar de tekst en antwoord op de vragen van uw docent.
2. Lees de tekst. Kijk de woordenlijst door en zoek de woorden die u niet kent in
uw woordenboek op:
uitschelden, passen (op) – oppassen, vertrouwen, het kabaal: k. maken, jewelste: een
kabaal van ~ , trappen, de rij: alles op een rijtje zetten, doen alsof, de pijn: zich p. doen,
genoeg: ~ krijgen / hebben (van), doodgaan, knopen (aan), het uiteinde, zakken, de
garage, inslaan, bekend, toekijken, de bestuurder, de passagier, uitstappen, aanraken,
erg: iets ~ vinden, de lak, glinsteren, starten, hardop, het stuur, de motor, het gas: vol
g. geven, razen: over de weg ~ , het Hooglied, de rem, de stommeling, omverrijden,
het gevaar, veroordelen (tot), de manier: hij heeft geen ~en, de straf, de knie, de
vergiffenis, de cel, het rijbewijs.
3. Stel vragen over de tekst en antwoord erop.
4. Vat de tekst schriftelijk samen. Vertel de tekst na.
5. Maak de volgende zinnen passief:
1. Hij schold zijn vrienden uit. 2. Men sleept hem naar boven. 3. Men heeft hem
opgesloten. 4. Men haalt de dokter. 5. Een politieagent heeft hem gearresteerd. 6.
Men zal hem naar het politiebureau brengen. 7. Men kan hem tot 20 jaar gevan-
genisstraf veroordelen.
6. Vertaal in het Nederlands:
1. Соседские дети сильно шумят (lawaai/ kabaal/ herrie maken), и поэтому я не
могу уснуть. 2. Мама поругала дочь, потому что та разбила вазу (kapot laten
vallen). 3. В то время как он со всех сторон осматривал машину, к нему
подошёл (op iem. af/komen) продавец. 4. Он спросил, хочет ли покупатель
совершить пробную поездку. 5. С тех пор как он купил машину, он больше
не ездит автобусом. 6. Чтобы получить права, надо сдать экзамен. 7. Не
прикасайся ко мне. 8. Не раздумывая, он забрался на скалу. 8. На дороге
было мало транспорта, он дал полный газ. 9. Его машину украли. Он заявил
о краже в полицию. 10. Ему нельзя доверять. – Если бы я знала об этом
[это] раньше. 11. Он делает вид, что ничего не произошло.
7. Conversatie:
1. U gaat op de fiets naar de winkel. Als u uit de winkel komt, is uw fiets weg. Wat
doet u?
2. Bent u wel eens bang in de auto? Waarom wel of waarom niet?
3. In een winkel ziet u een jongetje snel iets wegnemen en in zijn jaszak stoppen. Wat
doet u? Waarom?
PDF created with pdfFactory Pro trial version www.pdffactory.com
OPDRACHTEN (2)
1. Luister naar de tekst en antwoord op de vragen van uw docent.
2. Lees de tekst. Kijk de woordenlijst door en zoek de woorden die u niet kent in
uw woordenboek op:
uitschelden, passen (op) – oppassen, vertrouwen, het kabaal: k. maken, jewelste: een
kabaal van ~ , trappen, de rij: alles op een rijtje zetten, doen alsof, de pijn: zich p. doen,
genoeg: ~ krijgen / hebben (van), doodgaan, knopen (aan), het uiteinde, zakken, de
garage, inslaan, bekend, toekijken, de bestuurder, de passagier, uitstappen, aanraken,
erg: iets ~ vinden, de lak, glinsteren, starten, hardop, het stuur, de motor, het gas: vol
g. geven, razen: over de weg ~ , het Hooglied, de rem, de stommeling, omverrijden,
het gevaar, veroordelen (tot), de manier: hij heeft geen ~en, de straf, de knie, de
vergiffenis, de cel, het rijbewijs.
3. Stel vragen over de tekst en antwoord erop.
4. Vat de tekst schriftelijk samen. Vertel de tekst na.
5. Maak de volgende zinnen passief:
1. Hij schold zijn vrienden uit. 2. Men sleept hem naar boven. 3. Men heeft hem
opgesloten. 4. Men haalt de dokter. 5. Een politieagent heeft hem gearresteerd. 6.
Men zal hem naar het politiebureau brengen. 7. Men kan hem tot 20 jaar gevan-
genisstraf veroordelen.
6. Vertaal in het Nederlands:
1. Соседские дети сильно шумят (lawaai/ kabaal/ herrie maken), и поэтому я не
могу уснуть. 2. Мама поругала дочь, потому что та разбила вазу (kapot laten
vallen). 3. В то время как он со всех сторон осматривал машину, к нему
подошёл (op iem. af/komen) продавец. 4. Он спросил, хочет ли покупатель
совершить пробную поездку. 5. С тех пор как он купил машину, он больше
не ездит автобусом. 6. Чтобы получить права, надо сдать экзамен. 7. Не
прикасайся ко мне. 8. Не раздумывая, он забрался на скалу. 8. На дороге
было мало транспорта, он дал полный газ. 9. Его машину украли. Он заявил
о краже в полицию. 10. Ему нельзя доверять. – Если бы я знала об этом
[это] раньше. 11. Он делает вид, что ничего не произошло.
7. Conversatie:
1. U gaat op de fiets naar de winkel. Als u uit de winkel komt, is uw fiets weg. Wat
doet u?
2. Bent u wel eens bang in de auto? Waarom wel of waarom niet?
3. In een winkel ziet u een jongetje snel iets wegnemen en in zijn jaszak stoppen. Wat
doet u? Waarom?
136
PDF created with pdfFactory Pro trial version www.pdffactory.com
Страницы
- « первая
- ‹ предыдущая
- …
- 134
- 135
- 136
- 137
- 138
- …
- следующая ›
- последняя »
