ВУЗ:
Составители:
Рубрика:
125
Maar de keizer was nog niet dood. Hij zag er alleen maar zo bleek uit, omdat
hij het koud had. Hij had zijn ogen dicht gedaan omdat de maan zo helder
scheen op de namaak-nachtegaal die op het nachtkastje stond. De edelstenen
schitterden fel en dat deed pijn aan de oude, vermoeide ogen.
Plotseling kreeg de keizer het heel erg benauwd. Het leek wel of er iemand
boven op zijn borst was gaan zitten. Hij deed zijn ogen open en zag een oude
man. De man had de gouden kroon van de keizer op zijn eigen hoofd gezet.
En in zijn handen hield hij het gouden zwaard van de keizer en de keizerlijke
vlag. “Ik ben de Dood,” zei de oude man. “Ik kom u halen.”
Tussen de plooien van de gordijnen die naast zijn bed hingen, zag de keizer
allemaal gezichten. Sommige gezichten keken hem boos aan, maar de andere
gezichten keken vriendelijk. Die gezichten waren van de boze en de goede
geesten. Die kwamen altijd stervende mannen en vrouwen in China opzoeken
om over hun goede en slechte daden te praten. En de keizer had veel goede
dingen, maar ook wel een paar slechte dingen gedaan.
“Weet je nog wat u toen hebt gedaan?” fluisterden de geesten ййn voor ййn.
“En toen… en toen… en toen.”
Houd op!” riep de keizer, want hij wist dat hij heel spoedig zou sterven. “Ik
wil niet meer naar jullie luisteren. Waarom gaan jullie niet op de grote trom
spelen? Dan kan ik jullie tenminste niet horen.”
Maar de Dood en de geesten wilden dat niet. De geesten bleven praten en bij
alles wat ze zeiden, knikte de Dood tevreden.
“Muziek! Ik wil muziek horen!” riep de keizer. “Lieve, kleine nachtegaal.
Wil je voor mij zingen? Ik heb je zoveel kostbare geschenken gegeven en
zelfs een titel. Zing toch alsjeblieft voor mij.”
Maar de namaak-nachtegaal op het nachtkastje zweeg, want er was niemand
in de kamer om aan het sleuteltje te draaien. En als hij niet werd opgewonden,
kon hij niet zingen.
De Dood keek de keizer met kille ogen aan… Opeens klonk er buiten een heel
mooi en lieflijk gezang. Op een grote tak bij het raam zat de kleine grijze
nachtegaal. Hij had gehoord dat de keizer ziek was en kwam voor hem zingen
om hem te troosten.
De geesten hielden op met fluisteren en de Dood smeekte de kleine nacht-
egaal: “Zing, zing verder, lief klein vogeltje.”
“Ik zal verder zingen,” zei de nachtegaal, “als u mij die kroon, de sabel en de
keizerlijke vlag geeft.”
De Dood wilde zo graag dat de nachtegaal zou zingen dat hij hem alles gaf.
De nachtegaal zong over de witte rozen die op het kerkhof bloeiden en toen
kreeg de Dood zo’n heimwee naar het kerkhof dat hij opstond en door het
PDF created with pdfFactory Pro trial version www.pdffactory.com
Maar de keizer was nog niet dood. Hij zag er alleen maar zo bleek uit, omdat
hij het koud had. Hij had zijn ogen dicht gedaan omdat de maan zo helder
scheen op de namaak-nachtegaal die op het nachtkastje stond. De edelstenen
schitterden fel en dat deed pijn aan de oude, vermoeide ogen.
Plotseling kreeg de keizer het heel erg benauwd. Het leek wel of er iemand
boven op zijn borst was gaan zitten. Hij deed zijn ogen open en zag een oude
man. De man had de gouden kroon van de keizer op zijn eigen hoofd gezet.
En in zijn handen hield hij het gouden zwaard van de keizer en de keizerlijke
vlag. “Ik ben de Dood,” zei de oude man. “Ik kom u halen.”
Tussen de plooien van de gordijnen die naast zijn bed hingen, zag de keizer
allemaal gezichten. Sommige gezichten keken hem boos aan, maar de andere
gezichten keken vriendelijk. Die gezichten waren van de boze en de goede
geesten. Die kwamen altijd stervende mannen en vrouwen in China opzoeken
om over hun goede en slechte daden te praten. En de keizer had veel goede
dingen, maar ook wel een paar slechte dingen gedaan.
“Weet je nog wat u toen hebt gedaan?” fluisterden de geesten ййn voor ййn.
“En toen… en toen… en toen.”
Houd op!” riep de keizer, want hij wist dat hij heel spoedig zou sterven. “Ik
wil niet meer naar jullie luisteren. Waarom gaan jullie niet op de grote trom
spelen? Dan kan ik jullie tenminste niet horen.”
Maar de Dood en de geesten wilden dat niet. De geesten bleven praten en bij
alles wat ze zeiden, knikte de Dood tevreden.
“Muziek! Ik wil muziek horen!” riep de keizer. “Lieve, kleine nachtegaal.
Wil je voor mij zingen? Ik heb je zoveel kostbare geschenken gegeven en
zelfs een titel. Zing toch alsjeblieft voor mij.”
Maar de namaak-nachtegaal op het nachtkastje zweeg, want er was niemand
in de kamer om aan het sleuteltje te draaien. En als hij niet werd opgewonden,
kon hij niet zingen.
De Dood keek de keizer met kille ogen aan… Opeens klonk er buiten een heel
mooi en lieflijk gezang. Op een grote tak bij het raam zat de kleine grijze
nachtegaal. Hij had gehoord dat de keizer ziek was en kwam voor hem zingen
om hem te troosten.
De geesten hielden op met fluisteren en de Dood smeekte de kleine nacht-
egaal: “Zing, zing verder, lief klein vogeltje.”
“Ik zal verder zingen,” zei de nachtegaal, “als u mij die kroon, de sabel en de
keizerlijke vlag geeft.”
De Dood wilde zo graag dat de nachtegaal zou zingen dat hij hem alles gaf.
De nachtegaal zong over de witte rozen die op het kerkhof bloeiden en toen
kreeg de Dood zo’n heimwee naar het kerkhof dat hij opstond en door het
125
PDF created with pdfFactory Pro trial version www.pdffactory.com
Страницы
- « первая
- ‹ предыдущая
- …
- 123
- 124
- 125
- 126
- 127
- …
- следующая ›
- последняя »
