ВУЗ:
Составители:
Рубрика:
94
3. Goed of fout? Leg uit.
1. Een kleine leeuw had een doorn in zijn poot gekregen. 2.
De leeuw liep kreupel.
3.
Hij was bijna dood toen hij een jager met een geweer tegenkwam. 4. De jongen was
bang voor de leeuw. 5. De leeuw stak een poot uit. 6. De jongeman haalde de doorn
eruit en de leeuw en hij werden dikke vrienden. 7. Een jaar of twee later at de leeuw de
jongeman op. 8. De leeuw werd beloond.
4. Vertel de tekst na.
5. Maak de volgende zinnen passief:
1. De jongen doet de poort open. 2. Roodkapje bevrijdde de prins. 3. Hij heeft de
doorn eruit getrokken. 4. Toen oma terugkwam, hadden de kinderen de bedden al
opgemaakt en de ramen gelapt. 5. Ze zullen de brief binnenkort vertalen.
6. Vertaal in het Nederlands:
1. Мы придём вдвоём, если ты не возражаешь (goed/vinden). 2. Стучат в дверь.
Это точно (zeker) полицейские. 3. Она утверждает, что ничего не видела.
4. Может нам немного отдохнуть? Часа через два придёт папа и поможет
нам. 5. Как (wat) ты думаешь,
это настоящая кожа или искусственная?
6.
Сколько вас всего? Шестеро? 7. На следующее утро мы проснулись только
(pas) часов в девять. 8. Это та самая книга, которую я ему подарила. 9. Я не
могу вам помочь. Дело в том, что этот дом уже продан. 10. Этот зуб должен
быть удалён.
50. DE DOMME HOND
Tom ging zijn zus Maartje van school ophalen. “Neem de hond mee,” riep
zijn moeder hem na.
Toen ze bij de grote verkeersweg kwamen zag de hond Maartje aan de over-
kant lopen en begon opgewonden te blaffen. Hij was een hййl sterke hond en
hij wilde zу graag naar Maartje toe, dat hij Tom van het trottoir mee de weg
overtrok. Alle auto’s remden, want de domme hond had niet gezien, dat het
stoplicht voor hem op rood stond. “Het stoplicht moet op groen staan, voordat
je over mag steken,” zei Maartje een beetje boos.
En vanaf die dag liep de hond nooit meer door als het stoplicht op rood stond.
1. Woordenlijst:
de zus – сестра; iem. van school op/halen – зайти за кем-л. в школу; iem. iets na/
roepen – кричать что-л. кому-л. вослед; het verkeer – транспорт; het trottoir
– тротуар; remmen – тормозить; het stoplicht, het verkeerslicht – светофор; op
PDF created with pdfFactory Pro trial version www.pdffactory.com
3. Goed of fout? Leg uit.
1. Een kleine leeuw had een doorn in zijn poot gekregen. 2. De leeuw liep kreupel.
3. Hij was bijna dood toen hij een jager met een geweer tegenkwam. 4. De jongen was
bang voor de leeuw. 5. De leeuw stak een poot uit. 6. De jongeman haalde de doorn
eruit en de leeuw en hij werden dikke vrienden. 7. Een jaar of twee later at de leeuw de
jongeman op. 8. De leeuw werd beloond.
4. Vertel de tekst na.
5. Maak de volgende zinnen passief:
1. De jongen doet de poort open. 2. Roodkapje bevrijdde de prins. 3. Hij heeft de
doorn eruit getrokken. 4. Toen oma terugkwam, hadden de kinderen de bedden al
opgemaakt en de ramen gelapt. 5. Ze zullen de brief binnenkort vertalen.
6. Vertaal in het Nederlands:
1. Мы придём вдвоём, если ты не возражаешь (goed/vinden). 2. Стучат в дверь.
Это точно (zeker) полицейские. 3. Она утверждает, что ничего не видела.
4. Может нам немного отдохнуть? Часа через два придёт папа и поможет
нам. 5. Как (wat) ты думаешь, это настоящая кожа или искусственная?
6. Сколько вас всего? Шестеро? 7. На следующее утро мы проснулись только
(pas) часов в девять. 8. Это та самая книга, которую я ему подарила. 9. Я не
могу вам помочь. Дело в том, что этот дом уже продан. 10. Этот зуб должен
быть удалён.
50. DE DOMME HOND
Tom ging zijn zus Maartje van school ophalen. “Neem de hond mee,” riep
zijn moeder hem na.
Toen ze bij de grote verkeersweg kwamen zag de hond Maartje aan de over-
kant lopen en begon opgewonden te blaffen. Hij was een hййl sterke hond en
hij wilde zу graag naar Maartje toe, dat hij Tom van het trottoir mee de weg
overtrok. Alle auto’s remden, want de domme hond had niet gezien, dat het
stoplicht voor hem op rood stond. “Het stoplicht moet op groen staan, voordat
je over mag steken,” zei Maartje een beetje boos.
En vanaf die dag liep de hond nooit meer door als het stoplicht op rood stond.
1. Woordenlijst:
de zus – сестра; iem. van school op/halen – зайти за кем-л. в школу; iem. iets na/
roepen – кричать что-л. кому-л. вослед; het verkeer – транспорт; het trottoir
– тротуар; remmen – тормозить; het stoplicht, het verkeerslicht – светофор; op
94
PDF created with pdfFactory Pro trial version www.pdffactory.com
Страницы
- « первая
- ‹ предыдущая
- …
- 92
- 93
- 94
- 95
- 96
- …
- следующая ›
- последняя »
